Lampjes wegklikken

Door: Jessyca Klaassens – de Wit

De meeste van ons doofblinden mogen er ieder jaar aan geloven: een bezoekje aan de oogarts. Voor mij, een jonge vrouw met nog een paar procenten zicht, was het gisteren weer zover.

Goed voorbereid met stok, zonnebril, het pasje van het UMCG en de afsprakenbrief ging ik op pad. Die laatste twee had ik overigens pas op het laatste moment opgeduikeld. Zoals dat vrijwel ieder jaar gaat. Je hoort weleens dat de huizen en de administratie van blinden en slechtzienden zeer geordend is, nou, ik kan je vertellen bij mij niet. Om papier- en plasticverspilling tegen te gaan, was ik vast van plan om dit keer niet wéér een nieuw pasje aan te laten maken.

Dit jaar besloot ik ook om niet alleen te gaan met het openbaar vervoer, maar om Annelie, die mij wekelijks een paar uur van begeleiding voorziet, mee te nemen naar het ziekenhuis. Dat was voor mij fijn, want zo kon ik op de heenweg nog even wat energie besparen door mijn ogen te sluiten en rustig achterover te leunen in een comfortabele autostoel. Even niet opletten op straat en haltes tellen in de binnenstad van Groningen.

Zo kwam ik ook voor het eerst in de parkeergarage van het ziekenhuis, waarbij mij opviel dat het er lekker donker was. Prettig donker. Dat was een goed vooruitzicht voor na de controle, want eigenlijk altijd krijg je van die venijnige druppels in je ogen bij de oogarts. Daardoor treed bij mij extra lichtschuwheid op.

Samen gingen we door de draaideur en naar boven. Even twijfelend of de poli nu links of rechts zat, even spiekend op de afsprakenbrief. Toch rechts. Bij de poli even goed luisteren naar waar je eerst mag gaan zitten in de wachtkamer en dan wachten maar tot er ergens achter je een stem je naam roept. Slechts iets na tijd was het al zo ver en mocht ik mee komen. Om gelijk verblijd te worden met een gezichtsveld*. Wie dat onderzoek kent, weet dat ik dit sarcastisch bedoel…

Want 9 van de 10 keer hoor ik het volgende (en dat zal voor eenieder vast ook wel herkenbaar zijn!) tijdens zo’n sessie klik-het-lampje-weg.

“Blijf recht voor je uitkijken!”
“Niet spieken!”
“Focus je op het zwarte rondje!”
“Doe je oog wat wijder open!”

Nu moet je weten; ik zit altijd verkrampt op die stoel, hangend met mijn kin in het bakje, met mijn voorhoofd tegen zo’n harde stand. Peentjes zwetend, met mijn voeten her en der ondersteuning zoekend (want bij de grond kun je niet), ene hand geklemd om de afstandsbediening met de bewuste knop en met de andere hand gefrustreerd dwalend langs het apparaat, totdat ik iets heb gevonden waarin ik kan knijpen.

Ik heb nystagmus, een aandoening waardoor je ogen niet stil kunnen blijven staan. Als ik moet focussen, daartoe gedwongen wordt, dan schieten ze nog harder heen en weer. Van links naar rechts en weer terug. Zie dan maar eens onder druk dat rondje in het midden vast te houden. Gelukkig bleef deze assistente ondanks haar aangeleerde motivatietechnieken aardig en noemde het onderzoek naar afloop ook ‘rot’. Ja, dat was het. Intens.

Zo’n onderzoek slaat namelijk weer eens de spijker op zijn kop.

Of nee, dat doe je zelf als patiënt. Of beter gezegd: dat doen je ogen.  Want zelf heb je ook wel door dat het niet goed gaat. Recht vooruit starend in het oog van het apparaat wordt je geconfronteerd met licht dat jou oog niet raakt. En zo komt het dat ik mij diverse malen helemaal te pletter schrok toen er vlak bij het bewuste rondje ineens een witte vlek opdook. Ja, het lampje. Klikklikklik. Snel!

In het midden, het centrum, kan ik dus nog wat zien. Een zogeheten kokervisus. Daaromheen zie ik niets, totdat we bij de randen komen. Daar zie ik weer wat. Niet scherp, geen details, maar wel de bewegende lampjes. De grote welteverstaan. De kleine zijn voor mij onzichtbare details.

Blij, dat het achter de rug is, loop ik de kamer weer uit. Naar een ander gedeelte van de wachtkamer. Nog even letterlezen, druppelen en dan naar de arts. Ook dit jaar geen baanbrekend of schokkend nieuws. Het gaat, ik red mij ermee in het dagelijks leven en daarmee is de jaarlijkse controle weer afgerond. Nog steeds niets aan te doen, geen medicatie of genezing mogelijk.

Toch opgelucht loop ik weer naar buiten. Ditmaal met zonnebril op. Want zelfs het donker van de parkeergarage is te licht voor mijn ogen.

* Gezichtsveld is een onderzoek waarbij je plaatsneemt voor een halve bol met je kin het bakje en je hoofd tegen een stang. De lamp in de kamer gaat uit. De bol blijft een beetje verlicht. In het midden zit een zwarte stip met een lampje erin. De assistent zorgt ervoor dat het grote lampje van links naar rechts en van boven naar beneden door de bol beweegt. Dat gebeurt in onwikkelekeurigbe volgorde. Zodra je het lampje ziet, moet je klikken. De assistent tekent de coordinaten van het lampje op het moment van klikken op papier. De punten worden met elkaar verbonden. Zo maakt hij of zij een schets van jouw gezichtsveld.

Foto van de gang in het UMCG waar de spreekkamers van de oogartsen zijn gevestigd.

Klik hier om terug te gaan naar alle blogs